Vrijdag – Familiebedrijven
Waarom overleven sommige familiebedrijven 50 jaar… en andere meer dan 1.300 jaar?
Al meer dan twintig jaar geef ik seminaries over familiebedrijven. Op één van mijn oudste PowerPointslides staat een eenvoudige Japanse herberg. Daaronder slechts twee woorden:
Hōshi Ryokan
Opgericht in 718.
Wanneer ik die slide toon, zie ik steevast dezelfde reactie in de zaal.
"Kan dat wel? Een familiebedrijf dat al meer dan 1.300 jaar bestaat?"
Jarenlang vertelde ik erbij dat dit het oudste familiebedrijf ter wereld was.
Onlangs besloot ik mijn eigen presentatie opnieuw kritisch te bekijken. Want wie ondernemers begeleidt, moet niet alleen inspireren, maar ook correct informeren.
En toen ontdekte ik iets wat het verhaal nog boeiender maakte.
Hōshi Ryokan bestaat inderdaad nog altijd. Deze traditionele Japanse herberg wordt vandaag geleid door de 46e generatie van dezelfde familie. Al meer dan dertien eeuwen ontvangen zij er gasten. Daarmee behoort Hōshi Ryokan zonder twijfel tot de oudste nog actieve familiebedrijven ter wereld én is het de oudste nog bestaande familieherberg.
Maar er blijkt zelfs nóg een ouder familiebedrijf te bestaan.
Dat is Kongō Gumi, opgericht in 578. Eeuwenlang bouwde deze familie boeddhistische tempels in Japan. Meer dan 1.400 jaar bleef het bedrijf in familiehanden. Pas in 2006 werd het onderdeel van een grotere bouwgroep, al bleven de naam, de traditie en het vakmanschap behouden.
Maar eerlijk gezegd fascineert mij iets anders veel meer dan het verschil tussen 578 en 718.
Hoe slagen sommige families erin een onderneming meer dan duizend jaar door te geven, terwijl de meeste familiebedrijven bij ons de derde generatie niet halen?
Dat is de vraag die mij als familiebedrijfadviseur, bemiddelaar en accountant werkelijk bezighoudt.
De cijfers zijn confronterend
In Europa bereikt ongeveer 30% van de familiebedrijven de tweede generatie. Slechts 10 à 15% haalt de derde generatie en amper 3 tot 5% bereikt de vierde generatie of verder.
Japan vertelt een heel ander verhaal. Daar zijn naar schatting meer dan 33.000 ondernemingen ouder dan honderd jaar actief. Duizenden bedrijven bestaan al meer dan tweehonderd jaar en sommige zelfs langer dan een millennium.
Dat verschil kan onmogelijk alleen door toeval, fiscaliteit of geluk worden verklaard. Er moet méér aan de hand zijn.
Eigenaarschap of rentmeesterschap?
Volgens mij begint het verschil veel dieper. Niet bij fiscaliteit. Niet bij wetgeving. Maar bij cultuur.
Tijdens mijn begeleiding van familiebedrijven merk ik hoe vaak gesprekken beginnen met vragen als:
"Van wie zijn de aandelen?"
"Wie krijgt hoeveel?"
"Hoe verdelen we het vermogen?"
Allemaal belangrijke vragen.
Maar in Japan lijkt men eerst een andere vraag te stellen:
"Hoe zorgen we ervoor dat het familiebedrijf ook voor de volgende generatie gezond blijft?"
Niet het bezitten staat centraal, maar het bewaren én doorgeven.
De huidige generatie ziet zichzelf niet als eigenaar, maar als tijdelijke rentmeester. Misschien ligt precies daarin het geheim van hun uitzonderlijke continuïteit.
Niet de bloedlijn, maar de toekomst van het bedrijf
Nog opvallender is het Japanse systeem van mukoyōshi.
Wanneer er geen geschikte opvolger binnen de familie is, wordt soms een schoonzoon – of zelfs een externe persoon – juridisch geadopteerd. Niet omdat bloedbanden onbelangrijk zijn, maar omdat de continuïteit van het familiebedrijf belangrijker wordt geacht dan afkomst alleen.
Dat zet aan tot nadenken. Hoe vaak vertrekken wij niet vanuit de vraag: "Wie heeft er recht op?", terwijl de echte vraag misschien zou moeten zijn:
"Wie is de beste rentmeester voor de volgende generatie?"
Traditie én innovatie
Wie denkt dat deze eeuwenoude bedrijven vasthouden aan het verleden, vergist zich. Ze bewaren zorgvuldig hun identiteit, vakmanschap en reputatie, maar blijven tegelijk vernieuwen. Hun kernwaarden veranderen nauwelijks, terwijl hun producten, processen en dienstverlening voortdurend evolueren.
Traditie blijkt geen rem op innovatie, maar juist het fundament waarop innovatie kan groeien.
Europa heeft ook parels
Ook Europa kent prachtige familiebedrijven.
Zo produceert Marchesi Antinori in Italië al sinds 1385 wijn. Pontificia Fonderia Marinelli giet er al bijna duizend jaar kerkklokken en Beretta vervaardigt sinds 1526 vuurwapens. In Duitsland ontvangt Pilgrim Haus al sinds 1304 reizigers.
Het verschil is dus niet dat Europa geen sterke familiebedrijven kent.
Het verschil is dat Japan een cultuur heeft ontwikkeld waarin continuïteit bijna een maatschappelijke waarde is geworden.
De belangrijkste les uit Japan
Tijdens mijn gesprekken met ondernemers zeg ik wel eens: "Je erft een familiebedrijf niet van je ouders."
Door mij te verdiepen in de Japanse familiebedrijven, is daar voor mij nog een tweede gedachte bij gekomen:
"Een familiebedrijf behoort nooit helemaal toe aan één generatie. Elke generatie mag het tijdelijk bewaren, versterken en doorgeven."
Voor mij is dat de mooiste definitie van rentmeesterschap. Het geheim van Japanse familiebedrijven ligt volgens mij niet in het feit dat ze zo oud zijn.
Hun echte geheim is dat geen enkele generatie denkt dat het bedrijf uitsluitend van haar is. Elke generatie voelt zich verantwoordelijk om het bedrijf sterker door te geven dan zij het zelf heeft ontvangen.
Misschien is dat ook de grootste uitdaging voor familiebedrijven vandaag: niet alleen een succesvolle onderneming nalaten, maar vooral een onderneming die de volgende generatie wíl verder dragen.Want uiteindelijk is een familiebedrijf niet alleen een economisch project. Het is een verhaal van vertrouwen, verantwoordelijkheid en verbondenheid tussen generaties.
Misschien is dát wel het antwoord op de vraag waarmee dit artikel begon.







